Dit is de website
van :


Hoi ik ben Franny en ik ben 12 jaar.
Mijn hobby 's zijn Ateletieken en Badmintonnen.
Ik ben geboren op 13-02-1994.
Ik woon in Standdaarbuiten.
Ik heb een moeder, een vader en een zus.
Mijn tweeling-zus heet Angelique die heeft ook een website en dat is.
www.angelique-kokke.8m.com dat gaat over paarden, heel leuk.
Dat was het houdoeeeeeeeeeeeeee.
Schrijf jij ook iets in mijn gastenboek ???
Franny op M.S.N. Messenger

Chatten met Franny MET WEBCAM !!!
M.S.N. naam : franny_tijger_gek@hotmail.com of
( Bij MSN naam : Let op _ streepjes onder ! )
Achtergrond muziek :
Simon and Garfunkel - The Lion sleeps tonight
Aantal bezoekers sinds : 25 September 2004 :
Kat-achtigen 
De familie Felidae van de roofdieren, verspreid over vrijwel de gehele wereld; zij ontbreken in Australië en in Antarctica, Madagaskar, de Antillen en Groenland. Het zijn slanke dieren met een lenige ruggengraat, ronde kop, korte hals en korte snuit. Zij verschillen van de andere roofdieren vooral in het gebit en de poten. Zij leven vnl. van zelf gedode prooidieren.
Het gebit heeft kleine snijtanden, grote, iets gebogen hoektanden en een gereduceerd aantal kiezen met spitse punten. In elke kaakhelft bevindt zich slechts één ware kies; de bovenkaak heeft aan elke kant drie, de onderkaak twee valse kiezen. De ware kies in de bovenkaak is klein en knobbelig. De derde valse kies in de bovenkaak en de ware kies in de onderkaak (die tegenover elkaar staan) zijn groot en voorzien van scherpe randen; zij worden ten onrechte scheurkiezen genoemd, maar zijn, evenals de andere, knipkiezen. De onderkaak valt binnen de bovenkaak, waardoor de kaken werken als de bladen van een schaar. De prooi, vnl. grote en kleine zoogdieren en vogels, wordt in stukken geknipt; deze worden in hun geheel ingeslikt. De snijtanden worden gebruikt om de pels te reinigen en beenderen af te kluiven; de hoektanden dienen om de prooi vast te houden en stukken vlees af te scheuren. Vleesresten worden met de ruwe tong van de botten geraspt. De spieren die de onderkaak tegen de schedel aantrekken, zijn krachtig ontwikkeld; in verband hiermee vertoont de schedel wijd uitstaande jukbogen, beenkammen op het achterhoofd en een diepe holte in de zijkant van de onderkaak. De poten zijn vrij kort, dik en onderaan rond; de voorpoten hebben vijf, de achterpoten vier tenen. De zachte zoolkussens stellen de katachtigen in staat zich vrijwel geruisloos voort te bewegen. De sikkelvormige klauwen worden bij de meeste soorten in rust door een elastische band opgetrokken gehouden in een door de huid gevormd zakje, waardoor zij bij het lopen tegen slijtage worden beschermd. Bij het uitslaan worden de klauwen door spieren naar beneden getrokken. De zintuigen zijn over het algemeen goed ontwikkeld. Dankzij een lichtterugkaatsende laag in het netvlies (tapetum lucidum) kunnen katachtigen ook in het schemerdonker goed zien. De grote soorten hebben ronde, de kleinere spleetvormige pupillen. De goed ontwikkelde tastzin zetelt vooral in de snorharen, de haren boven de ogen en aan de binnenzijde van de voorpoten. Het reukorgaan is waarschijnlijk beter ontwikkeld dan men gewoonlijk aanneemt.
Katten zijn teengangers met de lichaamsbouw van een springer. Zij beloeren en besluipen hun prooi (sluipjagers); sleutelbeenderen ontbreken en het neerkomen na de sprong wordt vergemakkelijkt door een elastische verbinding tussen schouder en borstkas. De staart doet bij het springen dienst als roer; bovendien geeft hij de stemming weer waarin het dier verkeert.
Het haarkleed is meestal gevlekt of gestreept. Bij de eenkleurige soorten wordt het soms voorafgegaan door een gevlekt jeugdkleed (o.m. leeuw en poema). Bij enige soorten ( vaak bij de panter, zeldzamer bij o.a. de jaguar en de serval) komen zwarte exemplaren voor; de vlekken blijven dan meestal toch wel zichtbaar. Witte en licht gekleurde exemplaren zijn veel zeldzamer.
Op enkele uitzonderingen na zijn de katachtigen nachtdieren. Slechts zeer enkele soorten ( o.a. de leeuw) leven min of meer sociaal. Behalve bij de leeuw leven de geslachten buiten de paartijd gescheiden; in de bronsttijd komt het vaak tot verwoede gevechten tussen mededingers. De jongen, welpen genaamd, komen als nestblijvers blind en hulpeloos ter wereld; zij worden versleept zodra er gevaar dreigt, waarbij de moeder ze in het nekvel vasthoudt.
Katachtigen als heilige dieren. Bij de oude Egyptenaren was de (Nubische) kat een heilig dier, de gestalte van de godin Bastet, de godin van Bubastis in de Delta. Eerst in late tijd werd de cultus van de kat over geheel Egypte verbreid en werden de katten als huisgoden beschouwd. Hol gegoten bronzen kattenbeelden dienden als doodkist voor kattenmummies. Katachtige roofdieren vereerde men om hun kracht.
![]()
Goudkat, het ondergeslacht Profelis van het geslacht felis. De twee soorten zijn middelgrote, tropisch bos bewonende katten: de Aziatische goudkat (felis temmincki) van Zuidoost-Azië, Sumatra en Borneo, en de Afrikaanse goudkat (F.aurata) van West- en Midden-Afrika. De Aziatische soort is de grootste , lengte 90-100 cm, plus een staart van 40-60 cm, schouderhoogte ca. 50 cm; de Afrikaanse soort is wat kleiner. De pelskleur is zeer variabel, maar als regel roodachtig bruin, vaak met donkere vlekken, vooral op de witte buik. Bij de Afrikaanse goudkat kunnen zelfs vrijwel geheel zwarte individuen voorkomen; bovendien schijnt de kleur in de loop van het leven van het dier aan verandering onderhevig te kunnen zijn. Goudkatten zijn grondbewoners die zich voeden met vogels, knaagdieren en andere kleine zoogdieren. De Aziatische soort wordt in zijn bestaan bedreigd door kaalslag van het tropisch bos; de Afrikaanse goudkat is nog zeer wijd verspreid. Beide soorten zijn in weinig dierentuinen te zien en behoren mede daardoor tot de minst bekende katten.
Per worp worden 2-3 jongen geboren; draagtijd en maximale levensduur zijn nog niet nauwkeurig vastgesteld.
(1)
(2)
(1) Afrikaanse Goudkat
(2) Aziatische Goudkat
![]()
Jachtluipaard, Het snelste landdier ter wereld: de jachtluipaard (of cheetah) kan bijna honderd kilometer per uur halen tijdens een korte sprint als hij op jacht is. Hij komt nog in grote delen van Afrika voor, maar in Zuid-Azië (waar het dier waarschijnlijk oorspronkelijk vandaan komt) en het Midden-Oosten is hij nagenoeg verdwenen.
De jachtluipaard is gemakkelijk van andere katten te onderscheiden, niet alleen door de opvallende vlekken op zijn vacht, maar ook door zijn lange en slanke lichaamsbouw. Hij heeft een kleine kop, hooggeplaatste ogen en kleine, vrij platte oren. Zijn normale prooi bestaat uit gazelles, impala's, gnoe-kalfjes en andere hoefdieren tot 40 kilo. In sommige gebieden vormen hazen ook een belangrijk onderdeel van zijn menu. Hij besluipt zijn prooi soms maar een paar seconden, in andere gevallen is hij er verscheidene uren mee bezig, tot hij hem tot op zo'n 30 meter genaderd is; dan slaat hij toe. Ongeveer de helft van zijn pogingen heeft succes en een gemiddelde achtervolging beslaat 170 meter en duurt 20 seconden; zelden duurt ze langer dan een minuut. De prooi stikt door een beet in de keel. Gemiddeld eet een volwassen jachtluipaard 2,8 kilo vlees per dag. Het dier drinkt zelden vaker dan één keer in de vier dagen en soms zelfs maar eens in de 10 dagen.
De dieren zijn met 20 tot 23 maanden geslachtsrijp. De mannetjes en wijfjes die een paar vormen kennen elkaar waarschijnlijk al doordat hun woongebieden elkaar overlappen. Bronstige wijfjes sproeien urine op struiken, boomstammen en rotsen om mannetjes aan te trekken, die haastig het spoor volgen als ze de geur ruiken, waarbij ze keffende geluiden maken. Het bronstige wijfje reageert op het gekef door naar het mannetje toe te gaan. Soms wordt er meteen gepaard, hetgeen niet langer dan een minuut duurt. Ze blijven een dag of wat bij elkaar en paren verscheidene malen. De mannetjes kennen een sociale rangorde; meestal mag de hoogste in rang paren, terwijl zijn metgezellen in de buurt wachten.
Er is geen vast paarseizoen en in alle maanden worden jongen geboren. Een worp varieert van 1 tot 8, met een gemiddelde van 3. Pasgeboren jongen wegen 250 tot 300 gram en zijn tot 30 centimeter lang, gemeten van de neus tot de staartwortel. Hun ogen gaan open als ze 2 tot 11 dagen oud zijn. De jongen blijven verborgen onder struiken of in dicht gras, en hun moeder draagt ze om de paar dagen naar een nieuwe schuilplaats. Als ze 5 à 6 weken oud zijn, kunnen de jongen hun moeder volgen en beginnen ze mee te eten van de prooi die zij vangt. Mannetjes helpen niet bij het grootbrengen van de jongen. Met zogen wordt gestopt als de jongen ongeveer drie maanden oud zijn. De sterftekans is groot: nog geen derde van de welpen wordt volwassen.
Volwassen wijfjes zijn solitair, behalve als ze hun jongen grootbrengen. Ze bemoeien zich zelden met andere volwassen dieren, en als ze dat doen is het meestal maar voor een paar uur: met een zuster die ze toevallig tegenkomen, of met een van de mannetjes in het territorium. Mannetjes zijn wat socialer dan wijfjes en leven vaak in vaste groepen, die soms bestaan uit dieren uit hetzelfde nest.
In de zestiende eeuw werden cheetahs veel gehouden door Arabieren, Abessijnen en de Mongoolse keizers om op antilopen te jagen. Meer recent zijn jachtluipaarden in trek geraakt vanwege hun vacht, die gebruikt wordt voor bontjassen. In het wild zijn jachtluipaarden beschermd, maar zolang de handel in huiden in veel Europese landen en in Japan niet bij de wet verboden wordt, zal het wijdverbreide stropen blijven bestaan. Er wordt geschat dat er tegenwoordig zo'n 5000 jachtluipaardehuiden per jaar verhandeld worden.
Een ernstiger bedreiging voor de overleving van de jachtluipaard is echter het verdwijnen van zijn leefmilieu, waardoor geschikte prooi verdwijnt, zijn kansen op succes bij het jagen verminderen en meer jongen verhongeren of ten prooi vallen aan andere roofdieren. Ook wordt zijn prooi vaker gestolen door andere grote roofdieren en komt hij in conflict met de mens vanwege zijn toenemende aanvallen op diens vee. Het fokken in gevangenschap is, hoewel dit met succes gebeurt, geen geschikt alternatief voor het beschermen van het natuurlijke leefmilieu. De totale jachtluipaardenpopulatie in Afrika bestaat waarschijnlijk nog slechts uit 25 000 dieren.
Jachtluipaarden in de Serengeti
Uit de manier waarop jachtluipaarden zich in hun woongebied gedragen, blijkt hoe ze gebruik maken van hun leefomgeving en hun prooi. In gebieden als de Serengeti (een groot nationaal park) in Tanzania, Oost-Afrika, waar de prooidiersoorten van de ene plaats naar de andere trekken, verplaatsen volwassen vrouwelijke jachtluipaarden (met of zonder jongen) zich jaarlijks over een woongebied van ongeveer 800 vierkante kilometer. Ieder volwassen wijfje reist door haar woongebied in een vaste jaarlijkse cyclus en lijkt hetzelfde gebied jaar in, jaar uit te gebruiken.
De jongen verlaten hun moeder als ze de omvang van een volwassen dier hebben bereikt, op een leeftijd van 13 tot 20 maanden. De broers en zusters blijven daarna vaak nog een paar maanden bij elkaar. De wijfjes verlaten zo'n groepje echter de een na de ander als ze 17 tot 23 maanden oud zijn.
Vrouwelijke jachtluipaarden mijden elkaar, hoewel ze geen territoriumgedrag vertonen. Volwassen wijfjes gedragen zich niet agressief tegen andere wijfjes, of tegenover mannetjes, maar als ze een andere jachtluipaard in de buurt zien, lopen ze meestal weg of verstoppen ze zich. Doordat ze elkaar over en weer mijden hebben de wijfjes, of ze nu al dan niet verwant zijn, weinig contact met elkaar, hoewel hun woongebieden elkaar wel overlappen.
Jonge mannelijke jachtluipaarden verlaten als groepje het woongebied van hun moeder. Blijkbaar worden ze weggejaagd door oudere en sterkere mannetjes in het territorium. De jonge mannetjes trekken meestal zo'n 20 kilometer, maar soms nog veel verder, bij het woongebied van hun moeder vandaan. Volwassen mannelijke dieren uit hetzelfde nest blijven vaak de rest van hun leven bij elkaar. Soms voegen zich andere mannetjes bij hen; de groepjes bestaan meestal uit 2 tot 4 dieren .
Mannetjes in een territorium verdedigen een duidelijk omlijnd gebied, waar ze regelmatig opvallende bomen, struiken en rotsen markeren met urine, uitwerpselen en krabsporen. Territoria van mannetjes in de Serengeti beslaan ongeveer 30 vierkante kilometer. Deze mannetjes trekken niet, zoals de wijfjes dat doen (50 tot 80 kilometer), om de prooidieren te volgen, maar als er geen voedsel of water in hun territorium is, gaan ze soms tijdelijk weg om in de buurt naar voedsel en water te zoeken. Het is bekend dat een mannetje of een groepje mannetjes het territorium minstens vier jaar houdt, maar dat ze ten slotte verdreven of gedood worden: soms door een enkel mannetje, soms door een groep.
De neiging van de mannetjes om in kleine groepen te leven en samen te jagen en te eten, valt waarschijnlijk te verklaren doordat ze als collectief meer succes hebben bij het vestigen en verdedigen van een territorium dan wanneer ze alleen zouden zijn. De mannetjes hebben territoria in gebieden met niet te dichte begroeiing, zoals de met bossen en struiken begroeide drainagegebieden.
Niet alle mannelijke jachtluipaarden hebben een territorium; sommige mannetjes zwerven rond. Deze nomaden worden vaak geconfronteerd met territoriale mannetjes, die erg agressief op ze reageren. Bij een gevecht dat is waargenomen tussen een groepje van drie territoriale mannetjes en een groepje van drie binnendringers begon het eerste met het wegjagen van de binnendringers. Een van de nomaden werd gevangen en alle drie de territoriale mannetjes vochten met hem. Ze beten hem herhaaldelijk in zijn hele lichaam en trokken met hun bek hele plukken vacht uit zijn lijf. Uiteindelijk gaf een van de territoriale mannetjes hem de verstikkende beet in de keel, die ook toegepast wordt bij het doden van prooi.
Direct na het doden van de eerste indringer liepen de territoriale mannetjes op de twee overgebleven nomaden af, die op een afstand van ongeveer 300 meter stonden toe te kijken. Er volgde een kort gevecht en daarna achtervolgde een van de territoriale mannetjes een indringer over een afstand van minstens een kilometer. Kort hierop vochten ze alle drie met de overgebleven indringer, maar ten slotte lieten ze hem met rust. Het resultaat van deze confrontatie was: één indringer gedood, één gewond en één verjaagd. De verdedigers waren ongedeerd op één bloedende lip na.
Het territoriale gedrag van de mannetjes beperkt de populatiedichtheid van de jachtluipaarden. Als de populatie toeneemt, wordt een groter gedeelte van het beschikbare gebied door territoriale mannetjes opgeëist, hetgeen tot meer gevechten en meer doden leidt; wijfjes hebben er ook hinder van, doordat ze vaker lastig gevallen worden door seksueel gemotiveerde mannetjes. Soms houden mannetjes die willen paren een moederdier een dag of wat min of meer gevangen, zodat ze niet voor haar jongen kan zorgen. Dit leidt dan weer tot een grotere sterfte onder de jongen, omdat die onrustig worden, dus opvallen en daardoor een gemakkelijker prooi zijn voor andere roofdieren, en omdat ze minder voedsel krijgen van de moeder.
Jachtluipaarden
![]()
Jaguar, de tot de familie katachtigen behorende Panthera onca, behorende tot de roofdieren, afkomstig uit Midden- en Zuid-Amerika inclusief Suriname, noordwaarts tot in de Zuidelijke Verenigde Staten, in Zuid-Amerika ook wel tijger genoemd. Kop en rugzijde zijn gewoonlijk roodachtig geel met zwarte, ringvormige vlekken. De jaguar lijkt veel op de panter, maar is forser en gedrongener van bouw (lengte 1,35-2 m), heeft rondere en grotere vlekken en een zwaardere kop. De vlekken vormen samen rozetten, waarin weer kleinere donkere vlekken; dit komt bij de panter niet voor. De staart is relatief kort (0,55-0,75 m). Ook zwarte exemplaren komen voor, in hetzelfde nest als gewoon gekleurde. De jaguar is een bewoner van vochtige bossen, rivieroevers en dichte moerassen, ook wel van open terrein. Hij klimt en zwemt uitstekend. Het voedsel bestaat uit grote zoogdieren (tapire.d.), alsook waterzwijnen, paca's, reptielen en vissen. Tegenover de mens is hij weinig agressief; hij komt echter wel tot in dorpen en rooft daar vee.
De 2-4 jongen worden na een draagtijd van ruim drie maanden geworpen; maximale levensduur 20 jaar . De jaguar wordt sterk vervolgd om de pels; beschermende maatregelen zijn vaak weinig effectief.
(1)
(2)
(1) Jaguar
(2) Zwarte Jaguar
![]()
Jaguarundi, of wezelkat,
de soort Felis (of Herpailurus) yagouaroundi, een kleine, kortpotige en slanke vertegenwoordiger van de katachtigen, bewoner van Zuid- en Midden-Amerika, van Argentinië tot in de zuidelijke Verenigde Staten; lichaamslengte 55-60 cm, staart ca. 35 cm. De oren zijn klein en de kop is enigzins afgeplat, de poten zijn kort; vandaar de naam wezelkat. Men kent twee kleurslagen: vrijwel uniform bruine en grijze individuen, die door elkaar voorkomen. Deze kleine kat is een behendig en vraatzuchtig jager, vooral in dicht onderhout, die zich met allerlei kleine dieren voedt.
Draagtijd ruim twee maanden; 2-4 jongen per worp. Maximale levensduur vermoedelijk 10-12 jaar.

Jaguarundi
![]()
Karakal of woestijnlynx,
de kleine soort Felis caracal van de katachtigen, verwant aan de lynxen, bewoner van de vlakten van Afrika en Zuid-Azië tot in India. Het roodbruine dier heeft aan de buitenzijde zwarte oren met lange en puntige kwasten, naar verhouding vrij lange poten en een vrij korte staart (20-30 cm); schouderhoogte 40-50 cm. De karakal is een felle rover, die van klein wild (kleine antilopen, hazen en vogels), maar ook van kleine knaagdieren en reptielen leeft; opvliegende vogels springt hij soms met succes na.
Per keer worden 1-6 jongen geworpen; draagtijd 70 dagen.
Maximale levensduur 17 jaar.

Karakal
![]()
Leeuw,
Vanwege zijn kracht en zijn roofzuchtig gedrag wordt de leeuw al vele eeuwen beschouwd als de 'Koning der Dieren'. De mythe van de bovennatuurlijke krachten van de leeuw bestaat nog steeds: door bepaalde delen van een leeuw te eten of te dragen zou men verloren krachten kunnen herwinnen, ziekten verdrijven en immuun worden voor de dood. Door zijn reputatie van kracht en onverschrokkenheid worden er nog steeds jagers uit alle delen van de wereld naar Afrika gelokt om hun moed en behendigheid te tonen door een leeuw dood te schieten; een dergelijke trofee geeft de eigenaar sociale status. Gelukkig zijn de meeste mensen tevreden als ze het prachtige dier alleen maar kunnen observeren en fotograferen.
Eens waren leeuwen veel wijder verspreid dan tegenwoordig. Uit rotstekeningen en archeologische vondsten blijkt dat ze zo'n 15 000 jaar geleden in heel Europa voorkwamen. In de geschriften van Aristoteles uit 300 v. Chr. worden ook leeuwen genoemd, en de kruisvaarders kwamen vaak leeuwen tegen op hun tochten door het Midden-Oosten. Tot het begin van onze eeuw kwamen er nog leeuwen voor in een groot gedeelte van het Midden-Oosten en het noorden van India.
Evenals alle andere katachtigen heeft de leeuw een soepel, compact en gespierd lijf met een forse borstkas. Hij heeft een ronde kop en opvallende snorharen. De schedel is goed aangepast aan het doden en eten van prooi, en de kaken zijn kort en krachtig. De tong is bedekt met naar achteren gebogen, ruwe papillen, die zowel van pas komen bij het vasthouden van stukken vlees als bij het verwijderen van parasieten uit de vacht. Gezicht en gehoor zijn belangrijker dan de reuk bij het vinden van prooi. Evenals het geval is bij de meeste andere katten zijn de volwassen mannetjesleeuwen aanzienelijk groter dan de volwassen wijfjes (20 tot 35, soms 50, procent zwaarder). Door hun grootte zijn de mannetjes in het voordeel op de voedselplaatsen, waar ze zich gemakkelijk tussen de andere dieren in kunnen dringen of zelfs een heel karkas voor zichzelf kunnen opeisen. Mannetjesleeuwen in een troep leven soms zo goed als uitsluitend van de prooien die door de wijfjes aangesleept worden.
De belangrijkste taak van het mannetje in de troep is de verdediging van het territorium en de wijfjes tegen andere mannetjes. Het is duidelijk dat grootte hierbij een rol speelt. De evolutionaire druk op mannetjes om steeds groter te worden, wordt echter in evenwicht gehouden door het nadeel van een toegenomen behoefte aan voedsel bij een groter lichaam. Deze tegenstrijdige factoren verklaren wellicht de aanwezigheid van weelderige manen bij het mannetjesdier. De manen geven de indruk van een grote omvang, zonder de nadelen van extra gewicht. Confrontaties tussen rivalen worden vaak beslist vóór het vechten begint; het kleinste van de twee dieren, dat merkt dat het in het nadeel is, trekkt zich terug voordat er klappen vallen. De manen dienen ook als bescherming tegen de klauwen en tanden van een tegenstander als het tot een gevecht komt.
Verreweg het grootste deel van een leeuw bestaat uit prooidieren die tussen 50 en 500 kilo wegen, hoewel hij ook wel knaagdieren, hazen, kleine vogels en reptielen eet als dat zo uitkomt. Op open vlakten, waar weinig dekking is, wordt hoofdzakelijk 's nachts gejaagd, maar waar een dichte begroeiing is gebeurt het ook wel overdag. Volwassen mannetjes nemen slechts zelden deel aan de jacht, waarschijnlijk omdat ze door hun manen te veel opvallen. Als een aantal leeuwen samen een prooi besluipt, verspreiden ze zich meestal om het prooidier te omcirkelen en op die manier eventuele ontsnappingswegen af te snijden. Ze kunnen zo'n zestig kilometer per uur halen, maar sommige van hun prooidieren vluchten met snelheden van wel tachtig kilometer per uur, dus moeten leeuwen hun prooi heel voorzichtig benaderen, tot op zijn hoogst dertig meter afstand. Vanaf deze afstand kunnen ze de prooi bestormen en hem beetgrijpen voor hij ervandoor kan gaan. Leeuwen houden geen rekening met de windrichting bij de jacht, hoewel ze veel meer succes hebben als ze tegen de wind in jagen. Gemiddeld is slechts één van de vier jachtpartijen succesvol. Als het prooidier eenmaal op de grond ligt, heeft het nog maar weinig kans om te ontsnappen. Grote dieren worden meestal gedood door een beet in de keel of in de snuit, waardoor ze stikken.
De prooi wordt meestal door alle leden van de groep opgegeten. Wanneer verscheidene leeuwen samen eten, of als het karkas klein is, wordt er nogal eens geruzied, maar meestal duurt dit niet lang en ernstige verwondingen zijn zeldzaam. Volwassen wijfjes hebben ongeveer vijf kilo vlees per dag nodig, mannetjes zeven kilo.
Leeuwen delen hun woongebieden met een verscheidenheid aan andere roofdieren, zoals panters, jachtluipaarden, wilde honden en gevlekte hyena's, die allemaal op dezelfde soorten prooidieren jagen als leeuwen. Maar terwijl alle genoemde soorten op dieren jagen die minder dan 100 kilo wegen, doodt alleen de leeuw weleens prooi die zwaarder is dan 250 kilo. Leeuwen doden waarschijnlijk ook meer gezonde volwassen prooi dan de andere roofdieren. Heyna's, nachtelijke jagers met een groot lichaam, zijn potentieel de grootste concurrenten. Maar doordat ze achter hun prooi aan jagen in plaats van hem te besluipen krijgen hyena's vooral kalveren en oude, zieke dieren te pakken. Leeuwen hebben misschien zelfs wel voordeel van de aanwezigheid van hyena's, want uit een onderzoek in de Ngo-rongoro Krater in de Serengeti, in Tanzania, bleek dat zo'n 80% van alle karkassen waarmee de leeuwen zich voedden door hyena's gedood waren.
Leeuwen worden geslachtsrijp bij 24 tot 28 maanden in gevangenschap en bij 36 tot 46 maanden in het wild; het verschil wordt waarschijnlijk veroorzaakt door voedingsfactoren. Wijfjes zijn meer dan eens per jaar bronstig, telkens voor perioden van 2 tot 4 dagen. De periode tussen de cycli is zeer onregelmatig: deze kan variëren van twee weken tot verscheidene maanden. De ovulatie (eisprong) wordt opgewekt door de paring.
De draagtijd is kort voor zo'n groot zoogdier: 100 tot 119 dagen. Daardoor zijn de welpen erg klein bij de geboorte; ze wegen minder dan één procent van het gewicht van een volwassen dier. Geboorten komen het hele jaar voor, maar verscheidene wijfjes in een troep kunnen in dezelfde maand een jong krijgen. De leeuwinnen brengen hun jongen samen groot en zogen ook andere dan hun eigen jongen. Een worp varieert van 1 tot 5, met een gemiddelde van 2 of 3. De moeder vermindert het zogen geleidelijk en de welpen beginnen vlees te eten als ze drie maanden oud zijn, terwijl ze nog tot zes maanden melk drinken uit de vier tepels van hun moeder. De sterfte onder de jongen is hoog: zo'n 80 procent wordt niet ouder dan twee jaar. Een volwassen wijfje krijgt haar volgende nest jongen als haar welpen twee jaar zijn. Als het hele nest sterft, zal ze al gauw na de dood van de laatste welp weer paren.
De leeuw is het meest sociale dier van alle katachtigen. De sociale organisatie is gebaseerd op het verband van de troep, die meestal uit 4 tot 12 volwassen, verwante, wijfjes, hun jongen en 1 tot 6 volwassen mannetjes bestaat. Leeuwen brengen het grootste deel van hun tijd door in een van de kleinere groepen binnen de troep. De mannetjes in een troep kunnen aan elkaar verwant zijn, maar ze zijn meestal niet verwant met de wijfjes. Beide seksen verdedigen het territorium, maar de mannetjes zijn hierbij het actiefst. Territoriale grenzen worden gehandhaafd door brullen, markeren met urine en patrouilleren. Indringers trekken zich meestal terug als er een gevestigde inwoner nadert, hoewel mannetjes soms vechten - een enkele keer tot er één is gedood.
Een troep zwerft rond over een gebied tussen 20 en 400 vierkante kilometer, afhankelijk van de hoeveelheid prooi die er te bemachtigen is. Grote woongebieden kunnen die van naburige troepen overlappen, maar dan nog heeft iedere troep een territorium uitsluitend voor zichzelf.
De uiteenlopende milieus waarin leeuwen kunnen leven hebben een diepgaande invloed op het sociaal gedrag en oecologie. Verscheidene onderzoeken aan Afrikaanse leeuwen hebben aangetoond dat het territorium groter moet zijn naarmate de hoeveelheid prooi per vierkante kilometer kleiner is. Deze relatie is het duidelijkst als ze gemeten wordt tijdens het seizoen met de kleinste aantallen prooidieren. Factoren die de trekbewegingen van de prooidieren beïnvloeden, zoals de regenval, bepalen mede het gedrag van de leeuw. De maximale omvang van een territorium wordt bepaald door het vermogen van de troep om het te verdedigen; tevens strekt het zich nooit zo ver uit dat de sociale samenhang van de troep verloren kan gaan.
Omdat de welpen zich slecht kunnen weren bij het bemachtigen van voedsel, kunnen ze in hun eerste levensjaar gemakkelijk omkomen van de honger. Aks er een tekort aan voedsel is, staan volwassen wijfjes zelfs hun eigen jongen soms niet toe te eten. Ook wanneer er wel voldoende prooi is, maar er alleen kleine dieren worden gedood, kunnen welpen de hongerdood sterven, doordat de volwassen dieren de overhand hebben. Tegen de tijd dat ze 18 maanden oud zijn, zijn de welpen beter in staat om voedsel te bemachtigen als er een prooi gedood is, en als ze twee jaar zijn is de overleving van de welpen niet langer afhankelijk van een overvloed aan prooi.
Er zijn veel gevallen bekend van mensen die het slachtoffer zijn geworden van leeuwen. De romeinen lieten ter dood veroordeelden 'terechtstellen' door leeuwen uit Noord-Afrika en Klein-Azië, wat in Europa in de middeleeuwen ook nog voorkwam. Aanvallen op mensen door roofdieren in het wild zijn ook bekend; daarbij gaat het vaak om gewonde of oude dieren, die hun normale prooi niet meer kunnen doden: de mens is een gemakkelijk slachtoffer daar hij snel noch sterk is. En op de uitroeiing van de normale prooidieren van de leeuw volgen vaak aanvallen op mensen. Maar dat hoeft de oorzaak niet te zijn. Tegen het einde van de vorige eeuw bijvoorbeeld belaagden twee gezonde leeuwen regelmatig de werkers aan de Oeganda-Kenia-spoorweg. Daarbij waren ze zo succesvol dat de aanleg werd gestaakt.
Hoewel de leeuw niet direct met uitsterven wordt bedreigd, is zijn overleving op de lange duur beslist niet zeker. In het verleden zijn talloze leeuwenpopulaties aanzienlijk uitgedund door jagers, die regelmatig een stuk of tien exemplaren per tocht doodden. Tegenwoordig is de jacht aan banden gelegd, maar illegaal worden er nog steeds veel leeuwen gedood, en het gebeurt nogal eens dat ze vast komen te zitten in vallen die voor andere dieren uitgezet zijn. Een grotere bedreiging vormt echter het feit dat de prooi waarvan leeuwen afhankelijk zijn grote gebieden nodig hebben, en die worden steeds schaarser. Waar landbouw en veeteelt zich uitbreiden, verdwijnen de leeuwen snel: ze worden ofwel doodgeschoten vanwege hun aanvallen op het vee, ofwel verdreven doordat hun prooi uitgeroeid is.
Bloedverwantschap
Een leeuwin zoogt de welpen van een vrouwelijk familielid samen met haar eigen jongen; een mannelijke nieuwkomer in de troep doodt haar welpen, maar tolereert vervolgens wel de wilde spelletjes van zijn eigen jongen. Deze en andere ongebruikelijke gedragingen kunnen alleen verklaard worden als bekend is welke leeuwen in een gemeenschap aan elkaar verwant zijn.
De bloedverwantschap onder leeuwen kan men alleen in kaart brengen door dieren die men kent jarenlang te observeren en aantekeningen te maken over hun gedrag. De kern van een leeuwentroep wordt gevormd door 4 tot 12 verwante wijfjes. Ze zijn familie van elkaar daar ze in die bepaalde troep opgegroeid zijn, als kinderen van verwante moeders. Gemiddeld zijn ze ongeveer even nauw verwant als volle nichten. Een troep blijft over het algemeen vele generaties bestaan, en als hij groter wordt dan de optimale omvang wordt het overschot aan bijna volwassen wijfjes (2½ tot 3 jaar oud) verjaagd. Deze wijfjes worden meestal niet bij andere troepen toegelaten en zullen als nomaden verder moeten; daardoor leven ze korter en planten ze zich meestal niet voort.
Jonge, bijna volwassen, mannetjes worden ook verjaagd als ze 2½ tot 3 jaar oud zijn, zo ze al niet uit zichzelf vertrekken. Zij gaan als groep op weg: met de andere jonge mannetjes met wie ze samen opgegroeid zijn. Sommige van hen zijn broers, uit een nest van dezelfde leeuwin, maar de meeste mannetjes binnen zo'n groep zijn halfbroers, en de rest is nog minder nauw verwant. De groep van jonge mannetjes blijft een jaar of twee bij elkaar tot ze, nog steeds als groep, erin slaagt de macht in een troep over te nemen. Dit is meestal niet de troep waarin ze zijn opgegroeid, dus zijn ze niet verwant met de aanwezige wijfjes. De periode waarin mannetjes zich binnen een groep weten te handhaven kan variëren van 18 maanden tot 10 jaar, afhankelijk van de concurrentie van andere groepen mannetjes en van het aantal mannetjes dat bezit heeft genomen van de troep.
Een leeuwin laat toe dat welpen die niet van haar zijn bij haar zogen: men heeft waargenomen dat welpen van vier verschillende moeders tegelijk bij één leeuwin zoogden. Dit is zeer ongebruikelijk bij zoogdieren: bij de meeste soorten zal een moeder geen andere dan haar eigen jongen willen zogen. De welpen die door de leeuwin gevoed worden en die niet haar eigen jongen zijn, zijn de jongen van familieleden. Ze voedt dus welpen die voor een deel dezelfde genen hebben als zijzelf. Bij haar eigen welpen is dit deel de helft, en het aandeel is lager als het om de jongen van een familielid gaat. Maar in alle gevallen helpt ze bij het grootbrengen van welpen die genetisch aan haar verwant zijn.
Een zorgzaam ouderlijk gedrag is belangrijk, omdat hierdoor bevorderd wordt dat zoveel mogelijk genen van de ouders direct aan toekomstige generaties worden doorgegeven. De leeuwin die ook voor jongen van verwanten zorgt, bevordert tevens de indirecte overdracht van haar genen. Haar 'altruïsme' heeft ze dus meegekregen omdat dit een gunstige factor is in de evolutie: door de welpen van haar zussen te zogen waarborgt ze mede het voortbestaan van haar eigen genen.
Tussen de mannetjes in een troep bestaat een verrassend sterke band: ze vechten gezamelijk fanatiek tegen vreemde mannetjes, maar ze vechten niet met elkaar om een paarrijp wijfje. Ze werken integendeel volgens een soort herenakkoord: het mannetje dat het eerst een bronstig wijfje tegenkomt, krijgt meestal voorrang boven de andere mannetjes.
Er zijn goede redenen waarom leeuwen in dergelijke gevallen niet vechten. In de eerste plaats is de kans erg klein dat een willekeurige paring resulteert in een zwangerschap die een welpje voortbrengt dat tijd van leven krijgt om volwassen te worden. Ten tweede, en dat is nog belangrijker: als een mannetje zijn verwante metgezel laat paren worden sommige van zijn eigen genen toch aan eventuele welpen doorgegeven.
Ook op de lange duur is het niet in het belang van de leeuw om met zijn metgezellen te vechten, daar hij medestanders nodig heeft om de concurrerende groepen mannetjes te verslaan die erop loeren zijn troep over te nemen. Een grote groep mannetjes (4 tot 6 leeuwen) die een troep overneemt, slaagt erin 4 tot 8 jaar een troep te behouden, hetgeen veel langer is dan een groepje van twee dat kan. De noodzakelijke samenwerking is alleen mogelijk onder metgezellen die geen ruzie maken.
Een gevestigd, volwassen mannetje in een troep is meestal vriendelijk tegen de wijfjes, zijn eigen welpen en die van zijn verwante metgezellen. Een lid van een pas aangekomen groep mannetjes die de troep overgenomen heeft, gedraagt zich heel anders. Hij zal in ieder geval een aantal van de welpen in de troep doden. Dit meedogenloze gedrag is lange tijd raadselachtig gebleven: de meeste zoogdieren doden normaal gesproken de jongen van hun eigen soort niet. Uit jarenlang onderzoek is echter gebleken dat als mannetjes welpen doden bij het overnemen van een troep, ze over het algemeen meer eigen afstammelingen nalaten. Een mannetje is niet verwant aan de welpen die hij doodt, en door ze te doden zorgt hij ervoor dat hun moeders sneller zijn eigen jongen kunnen krijgen (daar ze spoedig na de dood van hun laatste jong bronstig worden). Zijn eigen welpen hebben ook betere overlevingskansen als er geen oudere, concurrerende welpen aanwezig zijn. Zo is het doden van welpen in zulke omstandigheden toch verklaarbaar. Het is, evenals veel ander leeuwgedrag, een aspect van het natuurlijk selectieproces dat 'verwantenselectie' heet.
(1)
(2)
(1) Leeuw ( Mannetje )
(2) Leeuwin ( Vrouwtje )
![]()
Lynx,
twee soorten van het geslacht Felis van de katachtigen, nl. de gewone of noordelijke lynx of los (F. lynx) van Europa, Noord-Azië en noordelijk Noord-Amerika, en de rode of zuidelijke lynx of bobcat (F. rufa), die voorkomt van zuidelijk Canada tot in Mexico. De genoemde soorten vormen samen met de karakal het ondergeslacht lynx.
Lynxen zijn gekenmerkt door oorpluimen, bakkebaarden, vrij lange poten en een relatief korte staart, die hooguit tot op de hiel reikt. De min of meer gevlekte pels, die vooral in het winterseizoen in het noorden zeer lang haar kan hebben, is zeer gezocht in de bonthandel. Lynxen zijn eenzelvige roofdieren die zowel bosachtig als meer op terrein bewonen en op allerhand klein wild jagen; het zijn uitstekende klimmers. Per worp worden 1-4 jongen geboren, bij de noordelijke vormen in het voorjaar; draagtijd 2-2,5 maand. Maximale levensduur 12 jaar (bij uitzondering 16-24 jaar). De noordelijke rassen van de gewone lynx worden het grootst. In Eropa bedraagt de lengte 0,90-1,30 m, schouderhoogte 0,60-0,75 m en staart 11-15 cm, gewicht tot 36 kg; in Canada zijn deze afmetingen 0,75-1,00 m, 0,55-0,62 m en 10 cm (de bobcat heeft ongeveer dezelfde afmetingen). De lynx is in West-Europa in opmars. In 1997 was de lynx in onze streken al in de buurt van Venlo te vinden.
In Zuid-Europa (Iberisch Schiereiland en Balkan) komt een kleinere vorm met veel intensiever vlektekening voor, de pardellos of pardellynx (F. lynx pardina), die volgens andere opvattingen een afzonderlijke soort zou vertegenwoordigen. Naar schatting zijn er van deze vorm nog slechts 1000 exemplaren over, vnl. in het natuurgebied Coto Doñana, in het zuidwesten van Spanje.

Linx
![]()
Margay of tigrillo,
de diersoort Felis wiedii van de katachtigen, een gevlekt roofdier dat in verschillende rassen de bossen van Mexico tot in het zuiden van Brazillië bewoont (in Suriname zeldzaam). De margay is iets groter dan de gewone huiskat (60-70 cm lang, staart 35-45 cm). De vacht is grijsgeel met bruinzwarte vlekken, die in het midden lichter van kleur zijn. De soort wordt zoals alle gevlekte katten, in haar bestaan bedreigd doordat jaarlijks een groot aantal van deze roofdieren wordt gedood ter wille van de fraaie pels.
Draagtijd 65-81 dagen; 1-2 jongen per worp. Maximale levensduur 13 jaar.

Margay
![]()
Marmerkat,
de diersoort Felis marmorata, een Zuid-Aziatisch roofdier uit de katachtigen, voorkomend van de oostelijke Himalajaketens tot op Sumatera en Borneo. Dit dier is een vrij zeldzame, 's nachts actieve bosbewoner ter grootte van een flinke huiskat (lengte 45-53 cm plus staart van 47-55 cm, gewicht 2-5 kg). Het dankt zijn naam aan het gemarmerde patroon op de pels, dat doet denken aan dat van de nevelpanter.

Marmerkat
![]()
Moeraskat,
de diersoort Felis chaus, een Afro-Aziatische vertegenwoordiger van de familie der katachtigen uit de roofdieren, voorkomend in enkele gebieden van Noord-Afrika en wijdverspreid in Zuid-Azië, oostwaarts tot in Achter-Indië. De moeraskat is groter dan een flinke huiskat, maar naar verhouding veel hoger op de poten en een slechts tot de hielen reikende staart; gewicht tot ca. 12 kg. Deze kat heeft een uitgesproken voorkeur voor vochtig terrein; hier wordt op vogels en kleine zoogdieren gejaagd. De pels is maar weinig gevlekt of gestreept, behalve op de poten en voor op het lichaam, de staart is geringd; de grondkleur varieert van geel tot bruin en grijs, aan de oorpunten vindt men een donker kwastje. Draagtijd iets meer dan twee maanden; 3-5 jongen per worp. Maximale levensduur 12-15 jaar.

Moeraskat
![]()
Nevelpanter,
de soort Neofelis nebulosa, uit de familie katachtigen, een ca. 1 m lang roofdier uit Zuidoost-Azië (zuidwaarts tot Sumatera en Borneo), houdt zich vooral op in bomen en voedt zich met apen, vogels en aas. De pels is lichtgeelgrijs met grote zwartbruine hoekige vlekken ('gewolkt') op de flanken. De poten zijn kort. In de bovenkaak bevinden zich lange hoektanden. De langharige staart is slechts weinig korter dan het lichaam.
Het zeldzame dier is in vele landen beschermd, zij het soms weinig effectief; in dierentuinen wordt hij onregelmatig gefokt (draagrijd ca. 13 weken; 1-5 jongen per worp; maximale levensduur ca. 17 jaar). In veel opzichten is de nevelpanter een overgang tussen de brulkatten (Panthera; o.a. tijger en leeuw) en de kleine katten (Felis; o.a. de wilde kat en de lynxen).

Nevelpanter
![]()
Ocelot of pardelkat,
de soort Felis pardalis, een vrij kleine vertegenwoordiger van de zoogdierfamilie katachtigen, met tien ondersoorten bewoner van Midden- en Zuid-Amerika (inclusief Suriname), noordwaarts tot de zuidelijke Verenigde Staten en zuidwaarts tot Paraguay. De ocelot is gekenmerkt door een zeer variabele pels met fraaie, grote zwartomrande vlekken op een roodachtig-geelgrijze ondergrond; vrijwel geheel zwarte exemplaren zijn ook bekend. De huid is zeer gezocht als bont (ocelot), waardoor het dier overbejaagd wordt, wat op den duur consequenties voor het voortbestaan van de soort heeft; kaalslag van het bos en in cultuur brengen van woeste grond dragen tevens bij aan de bedreiging. Deze kat is ongeveer tweemaal zo groot als de huiskat; lengte 60-100 cm plus een staart van 30-40 cm, gewicht 9-18 kg. De vrij korte poten hebben krachtige en brede voeten. Het is een eenzelvige jager, vnl. in het bos, op klein wild en vogels. Na een draagtijd van ca. 10 weken worden 2-4 jongen geboren, die zorgzaam door het wijfje opgevoed worden. Maximale levensduur 10-15 jaar.

Ocelot
![]()
Panter,
Er heeft lange tijd verwarring bestaan rond de panters. Zelfs de naam 'panter' heeft problemen gegeven, omdat allerlei andere katachtigen ook met die naam werden aangeduid. De Afrikaanse soorten van de panter worden ook wel luipaard genoemd, maar in de negentiende eeuw was men het er nog niet over eens of panter en luipaard afzonderlijke soorten waren.
Er zijn ooit zo'n dertig ondersoorten onderscheiden, maar tegenwoordig zijn dit er nog slechts zeven. De meest voorkomende soort is de Noordafrikaanse luipaard, die in vrijwel het hele verspreidingsgebied van de panter voorkomt. De andere ondersoorten zijn kleine of geografisch geïsoleerde populaties.
Wat lichaamsbouw betreft zit de panter tussen de andere grote katten in: slank en tenger vergeleken met de jaguar, maar stevig en robuust vergeleken met de jachtluipaard. Er komen verscheidene afwijkingen in de vachtkleur voor. Een van de meest voorkomende en opvallendste is melanisme: de panter is dan geheel zwart. Dit wordt veroorzaakt door een recessief gen, dat blijkbaar vaker voorkomt bij panterpopulaties in bossen en bergen en in Azië. Op het Maleise schiereiland is wel vijftig procent van de panters zwart; elders is het percentage veel lager. Soms worden zulke dieren 'zwarte panters' genoemd, hetgeen eigenlijk niet juist is, omdat het geen afzonderlijke soort betreft. Bij verscheidene andere kattensoorten, waaronder de jaguar en de serval, komt ook melanisme voor.
De panter is het wijdst verspreid van de kattenfamilie, wat voornamelijk te verklaren valt doordat hij zijn jacht- en voedingsgedrag gemakkelijk aanpast. Panters vangen een grote verscheidenheid aan kleine prooidiersoorten: hoofdzakelijk kleine zoogdieren en vogels. Ze slaan hun slag door handig gebruik te maken van een gunstige gelegenheid en een combinatie van omzichtigheid en snelheid. Ze gaan alleen, in het algemeen 's nachts, op jacht en gaan in hinderlaag liggen of besluipen hun prooi tot ze er vlak bij zijn; dan doen ze een korte, snelle aanval. Daar ze behendige klimmers zijn, slepen panters hun prooi vaak mee een boom in, buiten bereik van aaseters. Door de variatie en de kleine omvang van hun prooi vermijden panters sterke concurrentie met roofdieren als leeuwen, tijgers, hyena's en hyenahonden, die zich met grotere prooidieren voeden.
In het grootste deel van hun verspreidingsgebied hebben de panters geen bepaald paarseizoen. Wijfjes zijn met tussenpozen van 3 tot 7 weken een paar dagen bronstig en er wordt dan druk gepaard. De worpen bestaan gemiddeld uit 3 (variërend van 1 tot 6) blinde, behaarde jongen die 430-570 gram wegen. De jongen worden verborgen gehouden tot ze hun moeder kunnen volgen, als ze 6 à 8 weken oud zijn. Alleen de moeder zorgt voor de jongen. Ze doet dat tot ze 18 tot 20 maanden zijn, waarna ze weer gaat paren. Panters worden waarschijnlijk geslachtsrijp als ze ongeveer 2½ jaar oud zijn.
De panter leeft vrijwel geheel solitair. Wijfjes hebben een territorium van 10 tot 30 vierkante kilometer (soms is het nog groter), dat de gebieden van andere wijfjes nauwelijks overlapt. Hieroverheen liggen grote mannelijke territoria. Deze gebieden worden actief verdedigd en overal gemarkeerd door het sproeien van urine op stukken hout, takken en boomstammen tijdens de uitgebreide omzwervingen van de panter door zijn territorium. Het belangrijkste geluid dat hij voortbrengt is een rauw gerasp, alsof een stuk hout doorgezaagd wordt. Het dient om de aanwezigheid van de territoriumhouder aan te geven en om contact te maken met een ander dier. Als het wijfje bronstig is maakt ze zo'n raspend geluid om een mannetje te lokken, en een moeder doet het om haar jongen te roepen. Als ze 2 à 3 jaar zijn vertrekken de mannelijke jongen om zich elders te vestigen, terwijl de vrouwelijke jongen waarschijnlijk een deel van hun moeders territorium overnemen.
De aantallen panters nemen bijna overal af, ten dele door de jacht (hun vacht wordt als bontmantel zeer gewaardeerd door sommige rijke dames). Ook wordt er in veel gebieden op panters gejaagd vanwege hun aanvallen op vee. Hun aantallen zullen steeds verder afnemen, maar hoewel sommige ondersoorten waarschijnlijk zullen verdwijnen, zal de zich gemakkelijk aanpassende panter vermoedelijk goed blijven gedijen in gebieden waar weinig mensen wonen. Er zijn nog steeds meer dan 100 000 dieren over.
Panters vormen een zeer populaire attractie voor bezoekers van nationale parken. Elders is de verstandshouding met de mens echter vijandig. In Azië komt het wel voor, hoewel zeer zelden, dat panters menseneters worden, en er zijn gevallen bekend van een enkel dier dat meer dan honderd mensen doodde. Behalve dat panters gedood worden voor geldelijk gewin of om het verlies van vee te beperken, wordt de panter ook voor de sport door de mens gedood: in Afrika is de luipaard een van de 'Grote Vijf' meest gewaardeerde prooidieren van de westerse jager. De andere soorten die dit twijfelachtige predikaat dragen zijn de leeuw, de buffel, de olifant en de rinoceros.

Panters
![]()
Platkopkat,
de soort Felis planiceps, een marterachtig aandoende kleine kat uit de katachtigen, voorkomend in Indo-China, Malakka, op Sumatera en op Borneo. Het dier heeft naar verhouding korte poten en staart en weegt hooguit 2,2 kg; de pels is bruinig van kleur met een contrastrijk gezichtsmasker. Platkopkatten leven in dicht struikgewas, vaak aan de oevers van rivieren, waar zij zich o.a. met kikvorsen voeden. Van het leven in het wild is nauwelijks iets bekend; de laatste tijd worden de dieren hier en daar in dierentuinen met succes gehouden (maximale levensduur 16 jaar) en gefokt.

Platkopkat
![]()
Poema, ook puma of zilverleeuw,
de soort Felis concolor, een Amerikaanse vertegenwoordiger van de familie katachtigen, ter plaatse ook cougar (en foutief ook panther) genoemd. De poema is de grootste van de kleine en middelgrote katten (geslacht felis); lengte 105-135 cm plus een staart van 65-90 cm, gewicht tot meer dan 100 kg. De kortharige pels is vrijwel effen grijsbruin van kleur met donkerder snorvlekken, achterkant van de oren en staartpunt. Het dier bewoont in een aantal ondersoorten Noord-, Midden- en Zuid-Amerika van Noordwest-Canada tot Vuurland toe; de grootste vormen treft men in de koude regionen, de kleinste in de tropen aan. Het dier voedt zich vooral met herten, en daarnaast met kleine zoogdieren en ook vogels; soms 'vergrijpt' het zich ook aan (klein)vee, iets wat tot een persistente vervolging heeft geleid. In grote delen van Canada en de Verenigde Staten (vooral in het oosten) is de poema al zeer zeldzaam geworden, zo niet uitgeroeid. Deze uitstekende klimmer laat zich door honden in een boom jagen, van waaruit geen ontkomen meer mogelijk is. De poema is maar hoogst zelden gevaarlijk voor de mens. Na een draagtijd van ruim drie maanden worden 1-6 aavankelijk gevlekte jongen geboren, die meer dan een jaar van de moeder afhankelijk zijn. Poema's zijn graag geziene en vlot fokkende gasten in de dierentuin; maximale levensduur ca. 20 jaar.

Poema
![]()
Serval of boskat,
de soort Felis serval, een middelgrote vertegenwoordiger van de roofdierfamilie katachtigen, bewoner van savannen, steppen en galerijbos van Afrika bezuiden de Sahara plus Noordwest-Afrika, in de bergen tot 3000 m. Deze sierlijke, langbenige kat (schouderhoogte 45-55 cm, gewicht 6-15 kg) is gekenmerkt door een kleine kop met naar verhouding grote oren, een korte staart (25-35 cm) en een gevlekte pels. De vacht is zeer variabel van grondkleur, terwijl de vlektekening eveneens sterk wisselt; melanistische (donker gekleurde) exemplaren komen hier en daar voor. De serval is een felle en behendige jager op klein wild en vogels; opvliegende prooi (bijv. parelhoenders) wordt springend als het ware uit de lucht geplukt. Daarnaast wordt ook klein gedierte als hagedissen en insecten gevangen. Na een draagtijd van 9-11 weken worden 1-5 hulpeloze jongen geboren, die door de moeder zorgvuldig opgevoed worden; de maximale levensduur is twintig jaar. De serval leidt een betrekkelijk verborgen leven, hoewel hij meestal open terrein bewoont; door de uitgestrektheid van het verspreidingsgebied wordt de serval nergens bedreigd, hoewel er een bescheiden handel in huiden (Afrikaanse ocelot) bestaat.

Serval
![]()
Sneeuwpanter, ook sneeuwluipaard of irbis,
de soort Panthera uncia, een middelgrote vertegenwoordiger van de familie katachtigen van de roofdieren, verspreid over de gebergten van het zuiden van Centraal-Azië (Himalajacomplex), van Pamir tot West-China, op 1500-3500 m hoogte, soms nog hoger. Het dier wordt ca. 1,20 m lang plus een staart van ca. 90 cm; gewicht 45-70 kg; deze sierlijk gebouwde kat met naar verhouding kleine kop heeft een prachtige langharige pels met dikbehaarde staart; de grondkleur is lichtgrijsbruin met rijen donkere rozetten. Het dier bejaagt het grote bergwild (wilde geiten en schapen, enz.) van zijn onherbergzame woongebied ; een enkele maal vergrijpt hij zich aan huisvee. Dit plus de in de bonthandel zeer gevraagde pells en de wijde verspreiding van vuurwapens onder de bergbewoners vormen sterke bedreiging voor de sneeuwpanter, die enige bescherming ontleent aan de uitgestrekte en moeilijk toegankelijke biotoop; zonder twijfel is de sneeuwpanter een van de meest bedreigde dieren in de bergen van Azië. In dierentuinen blijkt het dier een moeilijke gast te zijn; er wordt volgens stamboekprincipes gefokt om een bijdrage te leveren aan het voortbestaan van de soort. Na een draagtijd van iets meer dan drie maanden worden één tot vier (meestal twee) hulpeloze jongen geboren, die door de moeder zorgzaam opgvoed worden.
Maximale levensduur 15 jaar

Sneeuwpanter
![]()
Steppekat, ook pallaskat of manoel,
de soort felis manul van de katachtigen. Deze Midden-Aziatische kattensoort is gekenmerkt door korte oren, brede schedel en vooral in de winter zeer lange en dikke beharing; het dier bewoont de steppen van de Kaspische Zee oostwaarts tot in West-China. Het haarkleed is bruingeelgrijs met donkere vlekken; het lichaam wordt 50-62 cm lang plus een staart van 23-31 cm; gewicht 2,5-4,5 kg. Het dier voedt zich met kleine knaagdieren, fluithazen, patrijzen en verwante grondbewonende vogels. Na een draagtijd van 1 maand worden 1-5 jongen geboren. Maximale leeftijd vermoedelijk 10-12 jaar. Als pelsdier is de steppekat van weinig betekenis.

Steppekat
![]()
Tijger,
Er zijn maar weinig dieren die zo veel angst inboezemen en ontzag wekken als de tijger. Al eeuwen is hij het onderwerp van allerlei mythenn, en omdat hij af en toe ook mensen doodt en opeet nemen de gruwelverhalen die over hem de ronde doen nog steeds in aantal toe.
Tijgers zijn de grootste katachtigen die nog voorkomen. De Siberische tijgers vormen de grootste en meest robuuste ondersoort: het record vestigde wat dit aangaat een mannetje dat 384 kilo woog! Net als die van andere grote katten is de lichaamsbouw van de tijger aangepast aan het vangen en doden van grote prooidieren. Zijn achterpoten zijn langer dan zijn voorpoter zodat hij goed kan springen; zijn voorpoten en schouders zijn veel sterker gespierd dan zijn achterpoten. De voorpoten hebben lange, scherpe, intrekbare klauwen, waardoor tijgers in staat zijn hun prooi stevig vast te grijpen. De schedel is kort, waardoor ze meer kracht kunnen zetten met hun sterke kaken bij het verscheuren van prooi. Een dodelijke beet wordt snel gegeven met de lange, enigzins afgeplatte hoektanden.
In tegenstelling tot de jachtluipaard en de leeuw bewoont de tijger geen open gebieden. Hij leeft solitair in dichte begroeiingen en besluipt zijn prooi - middelgrote tot grote dieren - of jaagt vanuit een hinderlaag.
De sociale basiseenheid bestaat bij de tijger uit een moeder en haar jongen. Tijgers worden echter met succes in paren of groepen in dierentuinen gehouden; soms worden ze in groepen (meestal een wijfje met haar jongen, maar ook wel een mannetje met een wijfje) gezien bij het doden van prooien in het wild, waaruit een hoge mate van sociale tolerantie blijkt. De biotoop waarin de tijger leeft is echter niet gunstig voor de ontwikkeling van een complexe levensgemeenschap en we zien ook een verbrokkeld sociaal systeem. Zijn manier van leven is heel geschikt voor het vinden en vangen van voedsel in een in principe gesloten biotoop waar de prooi solitair leeft of in kleine groepjes verspreid is. Onder deze omstandigheden heeft een roofdier er weinig voordeel van om samen met andere dieren op jacht te gaan.
Bij een langdurig onderzoek naar tijgers in het natuurreservaat Chitawan, in het zuiden van Nepal, werd met behulp van zendertjes ontdekt dat zowel mannetjes als wijfjes in territoria leefden die de gebieden van andere dieren van hun eigen sekse niet overlapten. De woongebieden van wijfjes besloegen ongeveer 20 vierkante kilometer, terwijl mannetjes veel grotere territoria hadden: van 60 tot 100 vierkante kilometer. Het woongebied van ieder mannetje omvatte de gebieden van verscheidene wijfjes. Doortrekkende dieren bleven nooit lang in het domein van hun soortgenoten. In het uiterste oosten van de Sovjetunie, waar hun prooi erg verspreid leeft en grote trektochten maakt met de wisseling van de seizoenen, is de populatiedichtheid van tijgers echter lager: minder dan één volwassen dier per 100 vierkante kilometer.
Tijgers passen allerlei methoden toe om de exclusieve rechten op hun territorium te handhaven. Urine, vermengd met uitscheidingen van de anale klieren, wordt op boomstammen, struiken en rotsen langs zijn pad gesproeid, en uitwerpselen en krabsporen worden op opvallende plaatsen door het hele gebied heen geplaatst. Ook het krabben aan bomen kan als markering dienen. Deze chemische en visuele signalen brengen allerlei informatie over op naburige dieren, die elkaar waarschijnlijk aan de geur leren herkennen. Mannetjes kunnen de seksuele gesteldheid van de wijfjes te weten komen, en binnendringers worden op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van de vaste bewoner. Hierdoor wordt de kans op een directe, lijfelijke confrontatie, met mogelijk letsel, verminderd. De solitaire tijger moet het risico van verwondingen ook wel vermijden omdat hij op zijn eigen lichamelijke gezondheid aangewezen is om voedsel te bemachtigen. Uit het onderzoek in Nepal kwam het belang van het markeren duidelijk naar voren: wanneer tijgers hadden nagelaten in een deel van hun territorium het signaal 'bezet' plaatsen (bijvoorbeeld omdat ze een jong kregen) werd dit gebied binnen drie tot vier weken door naburige dieren ingenomen. Dit wijst erop dat de grenzen voortdurend gecontroleerd worden en dat tijgers in aangrenzende gebieden goed op de hoogte zijn van elkaars aanwezigheid.
Het alleengebruik op lange termijn van een territorium heeft aanzienlijke voordelen voor de bewonen. Voor een wijfje is bekendheid met een gebied belangrijker omdat ze regelmatig een prooi moet doden om haar jongen groot te brengen. Zolang de jongen klein zijn en haar nog niet kunnen volgen, moet ze voedsel kunnen vinden dicht bij het nest, omdat ze regelmatig terug moet om de welpen te zogen. Later, als haar jongen groter zijn - en ze groeien snel! - moet ze genoeg prooi kunnen vinden om zichzelf en de jongen te voeden.
De territoriale voordelen lijken voor mannetjes anders te zijn: zij handhaven gebieden die drie tot vier keer zo groot zijn als die van de wijfjes, zodat voedsel voor hen geen kritieke factor is. Voortplantingsmogelijkheden zijn dat wel. Mannetjes zijn niet direct betrokken bij het grootbrengen van de jongen. Hoewel er niet zo veel bewijs is als bij de leeuwen zij er diverse gevallen bekend van mannetjestijgers die jongen doodden. Dit volgt meestal op de overname van een territorium. Door het doden van de jongen van het vorige mannetje is de veroveraar ervan verzekerd dat de wijfjes in zijn pas verworven gebied bronstig worden en zijn jongen zullen krijgen.
Tijgers die in zeer gunstige biotopen wonen, brengen meer jongen groot dan waar plaats voor is, waardoor grote aantallen, meest jonge volwassen dieren, in de randgebieden leven. Er bestaat geen duidelijk beeld van de sociale organisatie in deze randgebieden, maar de woongebieden moeten groter zijn en overlappen elkaar waarschijnlijk; de voortplanting is hier meestal weinig succesvol.
Deze in de randgebieden levende tijgers zijn belangrijk, omdat ze bij de voortplanting voor genetische vermenging zorgen en ze vrijgekomen plaatsen kunnen bezetten wanneer de hoofdpopulatie uitgedund raakt. Helaas zijn het juist deze dieren die belaagd worden door mensen, omdat hun woongebied vaak intensief door de mens en zijn vee gebruikt wordt.
Tijgers worden geslachtsrijp als ze 3 à 4 jaar zijn. Paringsactiviteiten bij tijgers in tropische gebieden zijn in iedere maand waargenomen, terwijl in het noorden alleen gepaard wordt in de wintermaanden. Een wijfje is slechts een paar dagen bronstig, maar in die korte periode kan er dan wel zo'n 100 keer gepaard worden! Er worden drie tot vier jongen geboren, die blind en hulpeloos zijn, en die ieder ongeveer een kilo wegen. Het wijfje verzorgt de jongen alleen en keert steeds terug naar het nest om ze te voeden, tot ze oud genoeg zijn om haar te volgen: als ze ongeveer 8 weken zijn. De jongen blijven voor hun voedselvoorziening geheel afhankelijk van hun moeder tot ze ongeveer 18 maanden zijn; ze kunnen in het woongebied van hun moeder blijven tot ze 2 tot 2½ jaar oud zijn, waarna ze vertrekken om hun eigen territoria te zoeken.
Alle nog bestaande ondersoorten worden bedreigd. Door zijn brede geografische verspreiding, die een grote verscheidenheid aan biotopen laat zien, wordt de illusie gewekt dat de tijger zich gemakkelijk aanpast. In werkelijkheid is hij echter een roofdier met zeer specifieke eisen die zich veel minder gemakkelijk aanpast dan bijvoorbeeld de panter. Terwijl ze ooit in grote delen van Azië voorkwamen, duiden de huidige verspreiding en de kleinere aantallen tijgers erop dat aan hun behoefte grote prooidieren en voldoende dekking steeds moeilijker voldaan kan worden. Dit komt doordat gebieden die geschikt zijn voor grote wilde hoefdieren, en dus ook voor tijgers, steeds verder door de mens ontgonnen worden. Daar de meeste tijgerreservaten relatief klein zijn (minder dan 1000 vierkante kilometer) en geïsoleerd liggen, is er weinig of geen interactie tussen de verschillende populaties.
Tijgers worden slechts zelden menseneters; normaal gesproken vermijden ze contact met de mens. Sommige menseneters zijn oud of ziek, maar er zijn ook gevallen bekend van gezonde, jonge, volwassen tijgers die op mensenjacht gingen. Dergelijk gedrag kan per ongeluk beginnen: een plotselinge confrontatie die eindigt met de dood van de mens. Soms is een enkel voorval voldoende om een tijger een mensendoder te laten worden. Of een tijger al dan niet opzettelijk mensen gaat doden kan afhangen van de gelegenheid die hij daartoe krijgt. Anderzijds kan een negatieve ervaring bij de eerste aanval op een mens verdere incidenten voorkomen. Voorts zal de beschikbaarheid van andere prooi een factor zijn.
(1)
(2)
(1) Bengaalse Tijger
(2) Siberische Tijger
![]()
Tijgerkat,
algemene benaming voor kleine, gevlekte soorten van het geslacht felis uit de katachtigen; gewoonlijk worden hieronder verstaan de Aziatische F. bengalensis en de Amerikaanse F. tigrina. Eerstgenoemde komt voor van Pakistan tot Java, Borneo, de Filippijnen, Oost-china en Siberië (55-72 cm lang met een staart van 20-28 cm), de Amerikaanse soort bewoont Midden- en Zuid-Amerika van Costa Rica tot Paraguay en Noord-Argentinië (Inclusief Suriname, lengte 50-75 cm met een staart van 30-50 cm). Bij beide vormen zijn de vlekken op kop en rug tot lengtestrepen vervloeid. De Amerikaanse tijgerkat is nauw verwant met de margay. Beide tijgerkatten vertonen de nodige variatie over hun grote verspreidingsgebieden. Als regel bewonen zij dichte vegetatie, waar zij op vogels en kleine zoogdieren jagen; het zijn bekwame klimmers. In de bonthandel hebben de kleine huiden weinig waarde; desondanks worden de tijgerkatten door jacht of kaalslag in hun voortbestaan bedreigd. Per worp worden 1-4 jongen geboren; draagtijd voor de Aziatische soort 8 en voor de Zuid-amerikaanse soort 10-10,5 weken. Maximale levensduur ca. 10 jaar.

Tijgerkat
![]()
Viskat,
de soort felis viverrina van de roofdierfamilie katachtigen. Het is een bewoner van Zuidoost-Azië van India tot Indo-China en Sumatera, Java en Bali. De viskat is een middelgrote vertegenwoordiger van de kleine katten (lichaamslengte 75-85 cm, staart 25-35 cm). De pels is bruin- of grijsachtig met donkere vlekken; de kop is naar verhouding vrij groot, maar de oorschelpen zijn klein. Viskatten zijn grondbewoners die veelal aan de oevers van rivieren leven; zij voeden zich met vis en schaaldieren, maar versmaden evenmin vogels en kleine zoogdieren. Draagtijd ruim twee maanden; 1-4 jongen per worp. De maximale levensduur zal 10-12 jaar belopen.

Viskat
![]()
Woestijnkat of zandkat,
de soort felis margarita, een vertegenwoordiger van de katachtigen, verspreid over westelijk Noord-Afrika en van het Arabisch Schiereiland tot in Pakistan. De kop is relatief groot; het dier wordt ca. 50 cm lang plus een staart van 25-30 cm, gewicht 1,5-3,5 kg. De fraaie pels is zand- of okerkleurig met veelal enige donkere dwarsstrepen op de flanken. Dit schemerings- en nachtdier is een bewoner van de woestijn. Woestijnkatten voeden zich met kleine knaagdieren, vogels, reptielen en insecten. Draagtijd ca. 9 weken; 2-4 jongen per worp. Maximale levensduur ca. 10 jaar.

Woestijnkat
![]()
Zwartvoetkat,
de soort felis nigripes van de katachtigen. Het is een kleine wilde kat van Zuidelijk Afrika (kleinste wilde kat ter wereld); lengte 35-50 cm, staart 15-18 cm, gewicht 1,5-2,75 kg. De zwartvoetkat is geelbruin met rijen donkerder vlekken en een geringde staart met zwarte punt; de poten hebben zwarte dwarsstrepen en de voetzolen zijn zwart behaard. Het dier bewoont droge steppen en zandwoestijn in het gebied van Kalahari en Karroo van oostelijk Namibië tot westelijk Transvaal, zuidwaarts tot de Oranje Vrystaat en Kaap de Goede Hoop. Het voornaamste voedsel van deze kat wordt gevormd door kleine zoogdieren, vogels, reptielen en insecten. Draagtijd 63-68 dagen; 1-2 jongen per worp. Maximale levensduur 13 jaar.

Zwartvoetkat
![]()
Deze website staat onder supervisie van :
Animal Search And Rescue
Peter van Gaal
Website-Beheerder van :
Animal Search And Rescue
Nederland de Nederlandse-Antillen
en Belgie
© 2004 By : Peter van Gaal